In 2011 overleed prof. dr. Tine Halkes (1920–2011), tijdens haar leven ook wel ‘kerkmoeder’ genoemd. Zij eiste een publieke rol op voor vrouwen in het geloof en zette de feministische theologie op de kaart. Haar leven is onlosmakelijk verbonden met zowel de emancipatie van katholieken en vrouwen als met de opkomst van vrouwenstudies binnen de wetenschap. Van de hand van theoloog Annelies van Heijst en historicus Marjet Derks verscheen onlangs haar biografie met de treffende titel ‘Ik verwacht iets groots’.

De auteurs beschrijven chronologisch hoe Halkes na een wat moeizame start langzaam maar zeker haar weg begon te vinden. Voor haar vorming was de katholieke hoogleraar, mentor en geliefde Louis Rogier van belang. Na een voltooide studie Nederlands en een huwelijk met Theo Govaart in 1950 volgden enkele publicaties en vooral veel bestuurlijk werk in katholieke (vrouwen) organisaties. Eerst was ze vooral lokaal actief, later ook op landelijk niveau. Ze ontwikkelde zich tot een bekende spreker die pleitte voor een versterking van de positie van vrouwen in kerk en geloof. Daarbij had ze de wind in de rug van de kerkvernieuwingsbeweging en het tweede Vaticaans Concilie. Na het opheffen van arbeidsverboden voor gehuwde vrouwen in 1957 ging ze ook in het onderwijs werken. Mede dankzij priester-hoogleraar Frans Haarsma, met wie ze een langdurige relatie had, kreeg ze in 1969 voet aan de grond bij de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hier begon ze als student-assistent. Na enige theologische vorming ging ze zichzelf als theoloog profileren. Haar positie op de universiteit bleef echter wankel en niet iedereen was van haar wetenschappelijke kwaliteiten overtuigd. Maar opnieuw wist ze de tijdgeest in haar voordeel om te buigen. Op haar 55ste kreeg ze aansluiting bij vrouwenstudies, tegenwoordig genderstudies, een nieuwe ontwikkeling in de wetenschap. Tine Halkes vond zichzelf toen als het ware opnieuw uit als feministisch theoloog. In 1983 bracht ze het na een taaie strijd zelfs tot bijzonder hoogleraar Christendom en Feminisme, de eerste leerstoel op dit terrein in Europa. Ze bereikte die positie zonder een dissertatie te hebben geschreven. Vanwege haar grote inzet voor onderwijs, kerk en samenleving, haar uitgekiende inzet van de media en haar brede, goed onderhouden netwerk, genoot ze nationale en internationale bekendheid. Zeker na het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland in 1985 rees haar ster. Als wetenschapper maakte ze echter geen school. Hierin schuilt een zekere tragiek.

De katholieke kerk loopt als een rode draad door het leven van Tine Halkes. Haar weg door kerkelijk, bestuurlijk en theologisch Nederland komt terecht uitgebreid aan bod in de biografie. Het katholieke, verzuilde maatschappelijke middenveld bood vrouwen als Tine Halkes in de jaren vijftig kansen. Interessant is dat via haar iets zichtbaar wordt van de betekenis van de meer traditionele vrouwenverenigingen, een onderwerp dat serieuzere aandacht van historici verdient. Dankzij onder meer het Katholiek Vrouwen Gilde kreeg Halkes toegang tot belangrijke katholieke netwerken. Hier deed ze leidinggevende ervaring op. De biografie laat goed zien dat ook voordat Joke Smit ‘Het onbehagen bij de vrouw’ (1967) schreef, vrouwen zich al inzetten voor het verwerven van meer publieke macht en het opheffen van discriminerende wetgeving en regels. Helaas schenken de biografen minder aandacht aan (de ontwikkeling van) haar geloofsbeleving. Dat is een omissie, vanwege het grote belang van religie in haar leven. De auteurs maken wel duidelijk dat Halkes hield van het theatrale aspect van de katholieke kerk. In haar eigen leven hechtte zij ook aan uiterlijk vertoon en het grote gebaar. Als keurig geklede, sigaren rokende mevrouw wist ze menigeen te imponeren. Zij vierde het leven en zorgde ervoor dat groots werd uitgepakt bij jubilea.

Tine Halkes stuitte op veel weerstand in de gevestigde kerkelijke en academische wereld maar behaalde onmiskenbaar successen en wist velen te inspireren. De manier waarop ze dat deed, verdiende lang niet altijd de schoonheidsprijs. Ze blufte, vocht en dramde door met ijzeren wilskracht en maakte gebruik van de mensen om haar heen, inclusief haar geliefden. De biografen laten op basis van grondig bronnenonderzoek aan de hand van concrete casussen zien hoe zij formele en informele macht inzette. Mooie voorbeelden zijn de manier waarop haar theologische vorming gestalte kreeg, hoe ze haar eredoctoraat in de wacht sleepte en het pausbezoek publicitair wist uit te buiten. Daarbij waakte ze als een leeuw over haar imago. Tot en met haar biografie aan toe wilde Tine Halkes de beeldvorming naar haar hand zetten. Ze wilde een wetenschappelijke publicatie, bij voorkeur geschreven door Derks en Van Heijst waarbij ze ervan uitging dat ze zelf de eindversie zou kunnen beoordelen. Dat stelde de beoogde biografen voor een lastige taak, want zij eisten, terecht, dat ze vrijuit mochten schrijven. Na jaren van getouwtrek werd pas aan hun eis voldaan.

De kracht van dit boek is dat de auteurs op basis van minutieus onderzoek een genuanceerd en gedetailleerd beeld neerzetten dat Halkes’ onaangename kanten beschrijft zonder afbreuk te doen aan haar prestaties. Deze werkwijze heeft geresulteerd in een lijvige biografie die overtuigt. De hoofdpersoon van dit boek zou waarschijnlijk niet onverdeeld gelukkig zijn geweest met het resultaat. Dat is een compliment voor de biografen.